Het DanAvl-varkensfoksysteem bestaat al sinds het einde van de 19e eeuw. De merknaam ‘DanAvl' (Deense Fokkerij) wordt echter pas sinds ongeveer 1990 gebruikt. Het originele doel was om fokvarkens te ontwikkelen die aan de eisen van de Deense varkensproducenten en slachthuizen zouden voldoen ten aanzien van een effectieve varkensproductie en van concurrerende vleesproducten voor zowel de binnenlandse als de exportmarkten.

In de 19e eeuw waren er twee soorten varkens in Denemarken: het grote Jutlandse varken en het kleine Zeelandse varken. Pas aan het eind van de 19e eeuw begon men op systematische wijze deze varkens te kruisen met buitenlandse rassen. Dat was het begin van de rassen die we tegenwoordig kennen en gebruiken.

De varkens leefden toen van keukenafval en werden op de boerderijen eerst vetgemest en daarna geslacht. Het vlees werd hoofdzakelijk verwerkt tot c.q. bereid als zult, spek of braadworst. De varkensstapels waren zo klein dat de eigenaar er gemakkelijk zelf, zonder extra personeel, voor kon zorgen.

Sindsdien is er (gelukkig) veel veranderd. De varkenshouderij en -productie in Denemarken worden tegenwoordig over het algemeen gekenmerkt door eigenschappen die, in het kader van op de soort afgestemde veehouderij, meer gericht zijn op de gezondheid, ontwikkeling en genetische vooruitgang van de varkens.